Bewoners vertellen Afdrukken E-mail

Herinneringen van (oud) bewoners aan Daalhuizen in de Tweede Wereldoorlog

De heer Otto Schϋlski
De herinneringen van Otto Schϋlski, wiens vader trouwde met Janna Kamphuis. Ze gingen wonen aan de Enkweg 25, waar vader een kapperszaak runde. Door het huwelijk had het gezin de Duitse nationaliteit, terwijl zij zich Nederlands voelden. Ondanks de Duitse komaf van de heer Schϋlski sr. en het in dienst treden bij het Duitse leger waren deze bijzonder moedige mensen actief in het verzet.

Zoon Otto Schϋlski vertelt (2013):
"Toen de oorlogsdreiging toenam, kreeg hij een brief van zijn vader die hem min of meer opdroeg om zijn plicht jegens zijn vaderland te vervullen en dienst te nemen in het Duitse leger. Hij beantwoordde die brief en gaf aan dat hij niets wilde weten van het opkomend nationaal socialisme en zeker geen dienst zou nemen in dat leger.
Beide broers van hem deden dat wel en hij zag hen nooit meer terug. Eén van hen sneuvelde in Rusland en de andere werd vermist en is nooit teruggevonden.
Niet lang na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij opgeroepen om dienst te nemen in het Duitse leger, hij weigerde omdat hij dat regiem verfoeide.
Toen de tweede oproep kwam koos hij voor de veiligheid van zijn gezin, dat gevaar liep om naar Duitsland te worden getransporteerd. Hij meldde zich en werd op Deelen opgeleid bij de Luftschutz Warndienst een onderdeel van de Duitse Luftwaffe. Als Jochie mocht ik hem daar bezoeken, buurmeisje Betty van Maanen bracht me er op de fiets heen. Ik schrok toen ik die vermagerde rekruut als mijn vader herkende en ben dat beeld nooit meer kwijtgeraakt.
De eerste paar jaar werd hij gelegerd in Nederland waar zijn onderdeel werd belast met het alarmeren bij mogelijke aanvallen van vijandelijke vliegtuigen.
Wanneer hij met verlof kwam smeet hij zijn uniform in de kast in de herensalon, trok zijn witte jas aan en ging aan het werk. Zijn zaak verliep echter omdat de bediende, die de zaak voortzette, de verdiensten niet of nauwelijks afdroeg aan mijn moeder. Hij ontsloeg de bediende en diende een verzoek in om ontslag uit de dienst, dat werd geweigerd en mijn moeder moest het maar zien te redden met zijn karige soldij. Het viel mij op dat hij tijdens zijn verlof altijd zeer oplettend, met name als het donker was, naar buiten stond te staren. Later vertelde hij dat hij bang was gevolgd te worden omdat men het vermoeden had dat hij informatie doorspeelde naar het verzet.
De tijd daarna kwam hij nog maar sporadisch met verlof en uiteindelijk werd hij met zijn onderdeel naar Frankrijk gestuurd waar hij de gevechten tijdens de invasie van Normandië meemaakte.
In brieven uit die periode bleek hoe hard de strijd was en wat de militairen daar moesten doorstaan.
Zijn haat was zo groot dat hij een officier bedreigde en op een haar na niet de doodstraf kreeg.
Na Normandië vluchtte hij met zijn onderdeel naar het zuiden, ze kregen te maken met de Maquis (Franse verzetsbeweging) en daarbij raakte hij zijn onderdeel kwijt. Later wist hij dat weer te bereiken en fietste vluchtend langs de oostgrens naar het noorden om uiteindelijk in Denemarken gevangen genomen te worden door de Amerikanen.
Mijn moeder had inmiddels bericht gekregen dat hij vermist werd en vermoedelijk gesneuveld was.
Wat mijn moeder met vier kinderen moest doormaken is nauwelijks te beschrijven. Dit werd nog versterkt toen zij bericht kreeg dat ik, als zoon van een Duitser, naar de Duitse school in Arnhem moest. Ik ging daar dagelijks met de bus van de G.T.W. naar toe. Bij de bushalte van boekenwinkel Schermerhorn stapte ik in, en mocht ik altijd bij de chauffeur op het bagagerek naast hem zitten omdat ik geen vriendjes had en niet geaccepteerd werd door de andere kinderen. Mijn moeder deed er alles aan om mij van die school af te houden, maar slaagde daar niet in.
Voor mij was dat een periode van indoctrinatie waarbij onder meer voorbereidingen werden getroffen voor latere toetreding tot de Hitler Jugend. Ik ga hier liever niet verder op in omdat dit misschien wel de ellendigste periode uit mijn leven was.
Thuis werd het steeds gevaarlijker omdat, als mijn vader de zaak had gesloten, er op één of twee kamers boven, mensen bij ons in huis woonden. Tijdelijke 'gasten' uit het verzet, onderduikers en evacués. Ook een joods gezin zocht zijn toevlucht bij ons. Gedurende enkele maanden is er een gezochte verzetsstrijder bij ons in huis geweest. Ik herinner mij als de dag van gisteren dat men naar radio Oranje zat te luisteren, naar berichten voor het verzet. Later werd ook een enkele Duitse militair ingekwartierd, één van hen een officier van de Luftwaffe, verhinderde een inval van de SD door de invallende militaire politie eruit te commanderen.
Moeder kreeg van tijd tot tijd kolen van het Duitse leger, die werden in het schuurtje gestort .
Moeder wilde daar niets van weten en stond mensen uit de buurt toe om kolen te komen halen.
Ook van andere voorzieningen van de Duitsers wilde ze niets weten en als er al wat kwam deelde ze dat uit.
Mijn vader heeft veel van wat hij meemaakte in brieven aan mijn moeder geschreven, brieven waaruit blijkt hoezeer hij het regiem haatte en hoezeer hij alles deed om toch maar terug te komen bij zijn gezin. Die brieven laten zich lezen als 'brieven van een Duitse soldaat aan zijn gezin'.
Ik vond ook nog een brief van een Joodse dame, die voordat ze afgevoerd werd naar Westerbork, haar 'spullen' in bewaring gaf aan mijn moeder en dat na de oorlog dankbaar en compleet weer terug kon halen.
Toen mijn vader maanden na de oorlog weer terugkwam vocht hij met zijn angst om teruggestuurd te worden naar Duitsland. Een angst die, zo bleek later, ongegrond was omdat er een voorlopige verblijfsvergunning werd afgegeven door de commissaris van politie. Deze werd niet zomaar afgegeven. Mensen 'die alles van dichtbij hadden meegemaakt' stonden in voor zijn betrouwbaarheid. Dat deden onder andere de toenmalige burgemeester Zimmerman, een voormalige gezochte verzetsstrijder die met zijn vrouw was ondergedoken bij ons, de heer en mevrouw Maree, huisarts dokter van Willigen, de districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, een Joodse dame, Mw. Goldschmidt.
Er waren uit de naaste omgeving twee moedige dames van wie de echtgenoot was gefusilleerd respectievelijk waarvan de echtgenoot opgepakt was en in een concentratiekamp verbleef, die toch mijn moeder bleven bezoeken. Ook zij stonden in voor het gezin.
Bij de Schade Enquête Commissie dienden mijn ouders een verzoek in om een vergoeding van de tijdens de oorlog verloren gegane inventaris van de kapperszaak. Deze werd afgewezen. Nodig bleek een 'No Enemy declaration', waarvoor opnieuw de nodige verklaringen moesten worden ingebracht. Een buurman, de heer Schwartz, heeft toen zeer intensief bemiddeld, zowel bij het verkrijgen van die verklaring, als jaren later bij de moeizame weg om voor het hele gezin de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Dit was met name voor mij belangrijk om te voorkomen dat ik verplicht werd om mijn dienstplicht in het Duitse legen te moeten vervullen. Deze jaren waren mijn ouders regelmatig de wanhoop nabij. Uiteindelijk was er een verzoek aan de Koningin voor nodig om tot resultaat te leiden. Pas in 1953 werden wij genaturaliseerd. Bij mijn zussen (tweeling) en broer heeft de oorlog zijn sporen nagelaten."

De heer Schϋlski overleed in Velp in 1982 in de voormalige kapperszaak. Mevrouw Schϋlski-Kamphuis overleefde hem vele jaren en bleef tot op hoge leeftijd wonen aan de Enkweg 35 tot ze op 91 jarige leeftijd in een verzorgingshuis in Arnhem overleed.

De zussen Mars
De familie Mars woonde van 1935 tot en met 1953 op nummer 3 van de Enkweg. Het was een kinderrijk gezin van 7 jongens en 3 meisjes. Vader was loodgieter, moeder altijd druk met de zorg voor de kinderen en oom Toon, inwonend, was schilder. Vlak voor de bevrijding op 14 april zijn 3 kinderen omgekomen, Herman, Henri en Joop Mars. Ze zijn begraven op de begraafplaats aan de Bergweg. Broer Ton raakte gewond.

Zussen Femy en Ineke Mars vertellen:
"De familie hielp onze buren met verhuizen toen het luchtalarm afging. Op voorstel van Herman zochten zij beschutting in de schuilkelder achter het huis, waarvan het dak even daarna door een voltreffer werd doorboord. Broer Herman werd op slag gedood. Henri en Joop werden zwaargewond door vader en zijn broer Toon naar het ziekenhuis vervoerd, waar zij in de vroege ochtend van 15 april gestorven zijn.
Broer Ton was gewond, maar kon, na behandeling in het ziekenhuis, mee terug naar huis. Hij is, onmiddellijk nadat hij geraakt werd, de schuilkelder uitgerend naar het woonhuis. Daardoor was onze moeder min of meer voorbereid op de Jobs-tijding, die haar wat later door mijn vader werd meegedeeld.
Het was natuurlijk wrang voor ons allemaal, maar het meest voor onze ouders, dat dit verlies op de drempel van de bevrijding plaatsvond. Van de feestelijkheden rond de bevrijding op 16 april hebben we dan ook weinig meegekregen. Wel staan de beelden van de tanks die de Enkweg af kwamen rollen vanaf de Ringallee met al die dolgelukkige, juichende, lachende mensen eromheen nog duidelijk op mijn netvlies. We begrepen toen niet waarom wij niet, net als alle buurkinderen, op de tanks getild mochten worden.
Wij hebben respect voor de manier waarop onze ouders zich door het verdere leven heen hebben geslagen, zonder 'hun jongens' ooit te vergeten. Vader gaf op het eind van zijn leven nog letterlijk aan 'nooit te zijn bevrijd'. Voor moeder kwam het bericht dat haar broer, Pater Campman, in Bergen Belsen was omgekomen, extra zwaar aan. Hetzelfde respect geldt voor onze broers, inmiddels allemaal overleden. Zij waren plotseling hun plaats in de rangorde kwijt. Vooral onze Fons, die na Herman kwam 'hoorde' bij de omgekomen broers. Hij vertelde op latere leeftijd weleens hoe ontheemd hij zich toen voelde en kreeg daar ook echt last van. Ton en Gerhard sloten qua leeftijd en belangstelling veel meer op elkaar aan. Wij zusjes (Femy, Ineke en Treesje) zijn 'gespaard' gebleven, hebben het goed met elkaar, en zijn nog zeer geïnteresseerd in alle ontwikkelingen die nu in de wereld gaande zijn."

Mevrouw van Eeden-van der Horst
Mevrouw A.R.H. (Augusta) van Eeden-van der Horst, in 2015 88 jaar:
"We woonden nog maar net aan de Arnhemsestraatweg toen de oorlog uitbrak. In het begin van de oorlog moesten we een paar dagen evacueren. Bij terugkomst vonden we kogelgaten in het prieeltje. Ik herinner me ook dat in de oorlog huis nummer 27 van de familie Laman Trip ingericht was als kraamkliniek. Broer en zus Laman Trip woonden bij ons in. Aan het einde van de oorlog zaten we in de kelder van de familie Laman Trip onder de bedden van de kraamvrouwen. Een meisje Rijckevorsel, die ook op de Arnhemsestraatweg woonde, kwam om het leven door een granaat. Op het allerlaatst lieten de Duitsers op de hoek van de Nordlaan vliegtuigbommen ontploffen, waardoor het hele huis uit zijn voegen ging."

De heer Meeuwissen
Bakker Meeuwissen vertelt:
"Door de jaren heen heeft onze bakkerij aan de Enkweg/Koningstraat heel wat meegemaakt. In de Tweede Wereldoorlog werd het volledig gebombardeerd, alleen de oven met de schoorsteen stond er nog. Alle muren waren weggeslagen. Maar met beperkte middelen werd er 'gewoon' doorgewerkt en gebakken in de open lucht."

De heer Sesink
"Opa Sesink" schreef:
"Beste Kinder van Opa Maar nou komt het. Wij staan 's avonds aan de straat met twintig man zoo als gewoon over de oorlog te praten over de inval in Arnhem die mislukt was met die parasjutisten in september, daar komt de tuinman Bottema die in de tuin van Peters zit met een zogenaamd stuk Engels brood. Nu allemaal proeven, maar het was vergif Jan Meeuwissen en ik hebben 5 dagen in het ziekenhuis bewusteloos gelegen. Tuinman de schilder, Meijerink de postbode en nog twee evacuees zijn eraan gestorven. Efin ik ben er goed afgekomen. Als jullie hier komen word het helemaal verteld dat was hier wat in de straat. Wij hebben een bevalling in huis gehad. Zondags kwamen die menschen uit Arnhem bij ons en 's maandags was er één bij. Wij hebben 5 groten en 2 kinderen uit Arnhem bijna 4 maanden hier gehad. Nu schrijf ik maar niet meer, anders is er straks niets meer te vertellen." Allemaal gegroet, Opa.

"Opa" Sesink woonde aan de Koningstraat op nr. 9. De brief is zeer waarschijnlijk geschreven in het najaar van 1944. Met dank aan kleindochter Everie Sesink uit Eindhoven.

Mevrouw Bakker Gerritsen
Mevrouw Hennie Bakker-Gerritsen vertelt:
'Bij mijn vader Steven Gerritsen de smid, die toen nog woonde aan de Bergweg 89, hebben in de oorlog onderduikers gezeten. Zij zaten tussen 2 kleerkasten in een hoek, waardoor in die loze hoek mensen konden staan. Over de kasten lag een plank met spullen erop, onder andere boeken. Mijn vader werd daar ook een tijdje schuil gehouden, omdat hij 'bij de ondergrondse zat'. Hij had wapens verstopt in de hooiberg van Paul Roelofsen. Mijn ouders werkten in de oorlog nauw samen met Paul Roelofsen sr., voor ons ome Paul en tante Riek, goede kennissen van onze ouders.
Ook heeft mijn vader via een kelderluik van de toen nog Rotterdamse Bank mensen bevrijd die opgesloten zaten in de 2e kluis. Mijn vader heeft dat mijn zus Tea later zelfs aangewezen.
Na de oorlog heeft mijn vader een insigne ontvangen van de Binnenlandse Strijdkrachten en dat insigne heeft mijn broer Steven nog steeds bewaard.Spelt Binnenlandse StrijdkrachtenTea wist ook nog dat de brandweer van Velp een keer uitgerukt is geweest om branden in Arnhem te bestrijden, maar dat ze door de Duitsers weer teruggestuurd zijn.
In de oorlog hebben ook bij mijn grootouders, die toen nog aan de Koningstraat woonden, verschillende onderduikers gezeten waaronder een Joods gezin dat voortijdig gevlucht is. Volgens mijn zus Tineke hielden deze mensen zich schuil op de vliering. Duitsers hebben zelfs op een tafeltje gestaan om te kijken of er onderduikers zaten, hierbij raakte het tafeltje beschadigd. Maar gelukkig zijn ze niet gevonden.
Ome Gerrit (31 maart 1914, 3 juli 1964), een broer van mijn vader en ook actief in het verzet, heeft na de oorlog een verzetskruis ontvangen. Hij heeft lang als vrijgezel bij zijn ouders in de Koningstraat 6-8 ingewoond en is op latere leeftijd getrouwd met J.F. Calff (tante Leida). Zij was van Joodse komaf."

Meneer Mantel
In het kader van de zeventig jarige bevrijding van Velp vertelt de heer Mantel, bekend van rijwiel-, radio en t.v. winkel Mantel, in De Gelderlander van 16 april 2015 zijn herinneringen. Het woon- winkelpand was gevestigd aan de Rozendaalselaan 25/27. Dick Mantel was in april 1945 15 jaar:

''In de dagen voor de bevrijding zat ik met mijn vader, moeder en broer Jan in de kelder onder ons huis in Velp. Op de vloer boven ons lagen zandzakken, de balken werden gestut met dennenstammen. Mijn vader had een fietsen- en radiozaak, die ik later heb overgenomen. Te eten hadden we in die kelder wel: ingemaakt spul, houtduiven van poelier Daan Driessen en brood dat bakker Van de Sande had gebakken van meel dat mijn verderop wonende grootvader de hele oorlog had bewaard. Er werd flink geschoten. Bij pauzes waagden we ons een paar meter buiten en controleerden dan of er in de goten geen fosforbommen lagen. In de vroege ochtend van 16 april was het stil. We gingen de straat op. Die lag helemaal vol met de afgeschoten toppen van de beukenbomen; geen mens kon er doorheen. De eerste Tommy's die we zagen, kwamen tevoorschijn uit de tuinen achter de Rozendaalselaan. Ze kwamen uit de richting van de Bergweg. Mijn vader ging meteen thee zetten. Hij was een theeleut en had speciaal voor de bevrijding een dicht gesoldeerd blik thee bewaard. Hij begon op straat te schenken aan de Engelsen. Dat zij graag thee drinken wisten we wel. Ik waagde me even later tot aan de Hoofdstraat. Daar stond een vlammenwerper, dat herinner ik me nog. Later kwamen de carriers met de manschappen erop over de weg uit de richting Arnhem. Ze deelden de welbekende chocola en sigaretten uit en ook 'meat and vegetables' in blik. We waren bevrijd.''

De heer Monsma
De heer Fokko Monsma vertelt:
"Voor mij was het destijds een enorme schok om te horen dat Gemma niet mijn zusje bleek te zijn. Verder was de oorlog voor mij als een spannend jongensboek.
Wij woonden als gezin bij het uitbreken van de oorlog al in ons huis aan de Schonenbergsingel. Dat weet ik heel zeker omdat ik me herinner dat mijn broer en ik, onder tranen van mijn moeder en oudere zusjes, uit bed werden gehaald en beneden in de voorkamer aangekleed werden op die bekende ochtend.
In het bosje tegenover ons huis stond een grote beuk, verschillende eiken en er waren open plekken. In de oorlog deed het dienst als kampement voor de Duitsers, die uit Frankrijk terugtrokken, als kampement voor de bevrijders en als veldkeuken.
Veel villa's in de omgeving waren gevorderd door de Duitsers, waaronder Mezzo Monte Nieuw Terhorn en Mon Repos. Bij deze villa waren de deurkrukken weggehaald, maar wij jongens hadden een deurkruk, welke precies paste, zodat we toch naar binnen konden om op onderzoek uit te gaan.
Voor ons huis op straat stond een afzetting, het was Spergebied. Vader had een doorgang gemaakt in het hek tussen ons en de buren, zodat mensen er toch door konden.
Een paar weken voor de bevrijding lagen de beuken van de Arnhemsestraatweg vanaf de Laarweg tot aan de Daalhuizerweg over de weg als een enorme wegversperring. Er lagen ook mijnen.
Bij onze buren is er een granaat ingeslagen. Scherven schampten de bakstenen muur van het balkon aan de achterkant van ons huis. Tot grote schrik beseften mijn moeder en Mien Roos dat Gemma daar buiten nog lag te slapen. Er was allemaal rode poeder op haar neer gedwarreld. Mien Roos was ons inwonend dienstmeisje van begin jaren dertig tot eind jaren veertig toen ze trouwde.
Mijn broer en ik waren misdienaar, niet in de eigen fraaie kapel van het zusterklooster op Larenstein, maar in de geïmproviseerde kapel in het gebouw Sancta Maria, dat apart lag, rechts even na het begin van de oprijlaan. Deze ruimte was afgestaan aan de paters van de oude Velperweg toen zij moesten evacueren. Deze paters hebben ook nog een tijdje in twee villa's aan de Arnhemsestraatweg onderdak gehad. Na de bevrijding mochten zij als vrijwel de eersten weer terug naar hun klooster. Als misdienaars hadden mijn broer en ik toen aparte pasjes om langs kordon F. in de nog lege en verboden stad Arnhem te komen.
De laatste dagen en nachten voor de bevrijding brachten we door in de kelder van ons huis. Dokter Kijlstra, een vriend van vader en woonachtig op nummer 5 van de Schonenbergsingel, kwam bij iedereen langs om te kijken of 'alles in orde' was. Ik herinner me dat mijn vader op een wat rustig moment vanuit het steekraampje op zolder poolshoogte wilde nemen. Toen hij het raam opende kreeg hij dit boven op zijn hoofd door een enorme explosie. Villa Mezzo Monte werd opgeblazen, waarschijnlijk omdat er een onderdeel van de SD was gevestigd. Als kinderen vonden we die knal en de buil op het hoofd van Pa hoogst interessant.
Op 16 april stond er een onbekende boven aan de keldertrap met een Engelse sigaret. Hij maakte onderdeel uit van de stoottroepen van de bevrijders. Hierna kwamen de tanks over de Schonenbergsingel en gingen naar de Koningstraat. Ze hadden haast om Velp te bevrijden."
Op 16 mei 2014 vond er in de villa aan de Schonenbergsingel een bijzondere ontmoeting plaats. De huidige bewoners ontvingen mevrouw Evelyne Schön (Gemma), Fokko Monsma, nog een broer en een zus en één van de onderduikjongetjes, Louis Rozendaal.
De huidige bewoners, de heer en mevrouw Schuuring, betrokken in 1986 de villa. Zij ontdekten een bevloerde en een niet bevloerde zolder. Op het gedeelte van de niet bevloerde zolder vonden zij een bed van stro, kleren en een paar schoenen, een fietsplaatje en een autootje. 'Vermoedelijk was dit de schuilplaats van een onderduiker, het moet niet makkelijk geweest zijn om hier snel te komen', vertelt de heer Schuuring (2013).Tot op de dag van vandaag is onbekend voor wie dit bed een onderduikplaats is geweest .

Mevrouw Gerritsen -Sliedrecht
Mevrouw A.E. (Tonny) Gerritsen-Sliedrecht vertelt:
"In de nacht voor de bevrijding zaten we met in de kelder van de familie Scheffer in de Van Pallandtstraat nummer 22. Het huis van de familie Scheffer had een betonnen kelder, waarvan men hoopte dat deze een betere beschutting zou bieden tegen het oorlogsgeweld. Zelf woonden we in de Van Pallandtstraat nummer 16. Ik was vier jaar en mijn plek in die kelder was onder de trap op een aardappelkist. Toen het duidelijk werd dat we bevrijd werden, kreeg ik van mijn moeder een rood, wit, blauw vestje aan. Moeder maakte het vestje van restjes uitgehaalde wol. En ik mocht naar buiten om de Engelsen bloemen te geven."

 

Copyright © 2012 Historievandaalhuizen.nl. Admin