Enkweg Afdrukken E-mail

Heden, anno 2010

Vanaf de splitsing met de Bergweg buigt de Enkweg zich naar rechts af tot aan de Ringallee.

De gehele Enkweg is in 2009 van nieuwe klinkers voorzien. De foto van deze wegwerkzaaWegwerkzaamheden okt. 2009 mheden, waarbij ook het riool is vervangen, is gemaakt door An Aartsen.
Opvallend is dat het zuidelijkste gedeelte zo smal is. Vanaf het noorden is het niet toegestaan hier met auto’s in te rijden.
Beeldbepalend aan de Enkweg is de school en het Enkplein. De school O.B.S. Daalhuizen heeft de hoofdingang aan de Enkweg. Als de school begint of uit gaat is het hier een drukte van belang.

Aan deze weg staan zeer verschillende huizen. Prachtige wat kleinere herenhuizen waarvan enkele met serre en ook een aantal huizen met de bouwstijl ‘Amsterdamse School’.

 

Verleden

De Enkweg is een oude doorgaande weg. In aktes van enkele panden aan de Enkweg is terug te vinden dat de bewoners vroeger een stukje straat kochten. Er stond wel in dat ze verzocht werden openbare doorgang te verlenen.
De naam verwijst naar het woord es, eng of enk. Het heeft de betekenis van een hoog gelegen akker, bouwland bij een dorp. Vroeger, toen er nog geen straatnamen bestonden, werd zo aangegeven waar men iets kon vinden.

De eerste afbeelding is een ansichtkaart, deze is gemaakt ter hoogte van de Van Pallandtstraat.
De foto is van archieven.nl en is van ongeveer 1970. Rechts op deze foto is de boom op het Enkplein te zien, de doorgang naar de Vondellaan nog niet afgesloten.
De rechtse foto is het lage gedeelte van de Enkweg. De foto is ter beschikking gesteld door de heer en mevrouw Berends en is gemaakt door de heer G.W. Berends in de zeventiger jaren.

De Enkweg in Velp

Enkweg

Enkweg

Bijzonderheden

Nijverheid in het verleden:  
Autobedrijf Van Setten  
Autorijschool Prins  
Bakkerij Meeuwissen  
Bouwbedrijf Meijrink  
Kapper Van Geldere en Schulski  
Kolenhandel van de gebroeders Veenendaal  
Loodgieter Mars  
Kippenboer Van Geldere  
Manufacturenwinkel van de dames Immink  
Slepersbedrijf van Veenendaal  
Schilder Mars  
Stoffenwinkel van Meijrink  
Uitvaartonderneming Meijrink  
Verhuur wasmachines Kranenburg

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweede Wereldoorlog, familie Schulski
Hans Fritz Max Schϋlski werd in 1905 in Berlijn Schoeneberg geboren, na de Mittelschule volgde hij de opleiding tot Friseur, een zeer brede opleiding tot dames en herenkapper, grimeur en pruikenmaker. Hij vertrok naar Nederland en ontmoette in Zwolle zijn toekomstige vrouw Berendina Janna Kamphuis.
Deze relatie kwam zwaar onder druk te staan. Beiden zetten hun relatie toch door en trouwden in 1930, waarna de heer Schϋlski besloot zelf een kapperszaak te starten. Dat werd de middenstandswoning aan de Enkweg 35 in Velp. De dames en herenkapsalon was voor de oorlog een zeer goed beklante zaak waar mensen als burgemeester Zimmerman en onder meer baron Van Pallandt vaste klant waren.Hierover is meer te lezen bij kapper Schulski.
De heer en mevrouw Schϋlski kregen vier kinderen: oudste zoon Otto, een tweeling in 1938 en nog een zoon geboren in de oorlog. Door het huwelijk had het gezin de Duitse nationaliteit, terwijl zij zich Nederlands voelden. Ondanks de Duitse komaf van de heer Schϋlski en het in dienst treden bij het Duitse leger waren deze bijzonder moedige mensen actief in het verzet.

Zoon Otto Schϋlski vertelt: 'Toen de oorlogsdreiging toenam, kreeg hij een brief van zijn vader die hem min of meer opdroeg om zijn plicht jegens zijn vaderland te vervullen en dienst te nemen in het Duitse leger. Hij beantwoordde die brief en gaf aan dat hij niets wilde weten van het opkomend nationaal socialisme en zeker geen dienst zou nemen in dat leger.
Beide broers van hem deden dat wel en hij zag hen nooit meer terug. Eén van hen sneuvelde in Rusland en de andere werd vermist en is nooit teruggevonden.
Niet lang na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij opgeroepen om dienst te nemen in het Duitse leger, hij weigerde omdat hij dat regiem verfoeide.
Toen de tweede oproep kwam koos hij voor de veiligheid van zijn gezin, dat gevaar liep om naar Duitsland te worden getransporteerd. Hij meldde zich en werd op Deelen opgeleid bij de Luftschutz Warndienst een onderdeel van de Duitse Luftwaffe. Als Jochie mocht ik hem daar bezoeken, buurmeisje Betty van Maanen bracht me er op de fiets heen. Ik schrok toen ik die vermagerde rekruut als mijn vader herkende en ben dat beeld nooit meer kwijtgeraakt.
De eerste paar jaar werd hij gelegerd in Nederland waar zijn onderdeel werd belast met het alarmeren bij mogelijke aanvallen van vijandelijke vliegtuigen.
Wanneer hij met verlof kwam smeet hij zijn uniform in de kast in de herensalon, trok zijn witte jas aan en ging aan het werk. Zijn zaak verliep echter omdat de bediende, die de zaak voortzette, de verdiensten niet of nauwelijks afdroeg aan mijn moeder. Hij ontsloeg de bediende en diende een verzoek in om ontslag uit de dienst, dat werd geweigerd en mijn moeder moest het maar zien te redden met zijn karige soldij. Het viel mij op dat hij tijdens zijn verlof altijd zeer oplettend, met name als het donker was, naar buiten stond te staren. Later vertelde hij dat hij bang was gevolgd te worden omdat men het vermoeden had dat hij informatie doorspeelde naar het verzet.
De tijd daarna kwam hij nog maar sporadisch met verlof en uiteindelijk werd hij met zijn onderdeel naar Frankrijk gestuurd waar hij de gevechten tijdens de invasie van Normandië meemaakte.
In brieven uit die periode bleek hoe hard de strijd was en wat de militairen daar moesten doorstaan.
Zijn haat was zo groot dat hij een officier bedreigde en op een haar na niet de doodstraf kreeg.
Na Normandië vluchtte hij met zijn onderdeel naar het zuiden, ze kregen te maken met de Maquis (Franse verzetbeweging) en daarbij raakte hij zijn onderdeel kwijt. Later wist hij dat weer te bereiken en fietste vluchtend langs de oostgrens naar het noorden om uiteindelijk in Denemarken gevangen genomen te worden door de Amerikanen.
Mijn moeder had inmiddels bericht gekregen dat hij vermist werd en vermoedelijk gesneuveld was.
Wat mijn moeder met vier kinderen moest doormaken is nauwelijks te beschrijven. Dit werd nog versterkt toen zij bericht kreeg dat ik, als zoon van een Duitser, naar de Duitse school in Arnhem moest. Ik ging daar dagelijks met de bus van de G.T.W. naar toe. Bij de bushalte van boekenwinkel Schermerhorn stapte ik in, en mocht ik altijd bij de chauffeur op het bagagerek naast hem zitten omdat ik geen vriendjes had en niet geaccepteerd werd door de andere kinderen. Mijn moeder deed er alles aan om mij van die school af te houden, maar slaagde daar niet in.
Voor mij was dat een periode van indoctrinatie waarbij onder meer voorbereidingen werden getroffen voor latere toetreding tot de Hitler Jugend. Ik ga hier liever niet verder op in omdat dit misschien wel de ellendigste periode uit mijn leven was.
Thuis werd het steeds gevaarlijker omdat, als mijn vader de zaak had gesloten, er op één of twee kamers boven, mensen bij ons in huis woonden. Tijdelijke 'gasten' uit het verzet, onderduikers en evacués. Ook een joods gezin zocht zijn toevlucht bij ons. Gedurende enkele maanden is er een gezochte verzetsstrijder bij ons in huis geweest. Ik herinner mij als de dag van gisteren dat men naar radio Oranje zat te luisteren, naar berichten voor het verzet. Later werd ook een enkele Duitse militair ingekwartierd, één van hen een officier van de Luftwaffe, verhinderde een inval van de SD door de invallende militaire politie eruit te commanderen.
Moeder kreeg van tijd tot tijd kolen van het Duitse leger, die werden in het schuurtje gestort .
Moeder wilde daar niets van weten en stond mensen uit de buurt toe om kolen te komen halen.
Ook van andere voorzieningen van de Duitsers wilde ze niets weten en als er al wat kwam deelde ze dat uit.
Mijn vader heeft veel van wat hij meemaakte in brieven aan mijn moeder geschreven, brieven waaruit blijkt hoezeer hij het regiem haatte en hoezeer hij alles deed om toch maar terug te komen bij zijn gezin. Die brieven laten zich lezen als 'brieven van een Duitse soldaat aan zijn gezin'.
Ik vond ook nog een brief van een Joodse dame, die voordat ze afgevoerd werd naar Westerbork, haar 'spullen' in bewaring gaf aan mijn moeder en dat na de oorlog dankbaar en compleet weer terug kon halen.'
Toen de heer Schϋlski maanden na de oorlog weer terugkwam vocht hij met zijn angst om teruggestuurd te worden naar Duitsland. Een angst die, zo bleek later, ongegrond was omdat er een voorlopige verblijfsvergunning werd afgegeven door de commissaris van politie. Deze werd niet zomaar afgegeven. Mensen 'die alles van dichtbij hadden meegemaakt' stonden in voor zijn betrouwbaarheid. Dat deden onder andere de toenmalige burgemeester Zimmerman, een voormalige gezochte verzetsstrijder die met zijn vrouw was ondergedoken bij de familie Schϋlski, de heer en mevrouw Maree, huisarts dokter van Willigen, de districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, een Joodse dame, Mw. Goldschmidt.
Er waren uit de naaste omgeving twee moedige dames van wie de echtgenoot was gefusilleerd respectievelijk waarvan de echtgenoot opgepakt was en in een concentratiekamp verbleef, die toch mijn moeder bleven bezoeken. Ook zij stonden in voor het gezin.
Bij de Schade Enquête Commissie dienden de heer en mevrouw Schϋlski een verzoek in om een vergoeding van de tijdens de oorlog verloren gegane inventaris van de kapperszaak. Deze werd afgewezen. Nodig bleek een 'No Enemy declaration', waarvoor opnieuw de nodige verklaringen moesten worden ingebracht. Een buurman, de heer Schwartz, heeft toen zeer intensief bemiddeld, zowel bij het verkrijgen van die verklaring, als jaren later bij de moeizame weg om voor het hele gezin de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Dit was met name voor zoon Otto belangrijk om te voorkomen dat hij verplicht werd om zijn dienstplicht in het Duitse legen te moeten vervullen. Deze jaren waren de heer en mevrouw Schϋlski regelmatig de wanhoop nabij. Uiteindelijk was er een verzoek aan de Koningin voor nodig om tot resultaat te leiden. 'Pas in 1953 werden wij genaturaliseerd. Vele officiële documenten zijn bewaard gebleven', vertelt zoon Otto Schϋlski.
De heer Schϋlski sloot de zaak op de dag dat hij een vast inkomen kreeg, zijn A.O.W., dat was voor hem ongekend. Met wat bijklussen in bijvoorbeeld Avondzon, kon hij het zich permitteren om wat rustiger aan te gaan doen. De heer Schϋlski overleed in Velp in 1982 in de voormalige kapperszaak. Mevrouw Schϋlski-Kamphuis overleefde hem vele jaren en bleef tot op hoge leeftijd wonen aan de Enkweg 35 tot ze op 91 jarige leeftijd in een verzorgingshuis in Arnhem overleed.
Alle informatie is ter beschikking gesteld door Otto Schϋlski, de oudste zoon. Hij reageerde via deze site ( augustus 2013) en laat weten: 'Uit eerbetoon aan mijn ouders heb ik gereageerd. Mijn ouders voerden een moeizame strijd om het hoofd boven water te houden. Ik heb nog twee zusters (een tweeling) geboren in 1938 en een broer geboren in de oorlog, alle drie leven nog maar wonen niet meer in Velp. Ook bij hen heeft de oorlog zijn sporen nagelaten.'

 

Jeugdherinneringen van Marc en Peggy Pluim; een beeld van de zestiger jaren

Marc Pluim is al 20 jaar een bekend allround fotograaf met een studio in Velp. Hij is samen met echtgenote Marlies Rijk eigenaar van 'Marc Pluim fotografie'. Zij werken en wonen in de Emmastraat. Het gezin Pluim verhuisde in het voorjaar van 1965 van de Colijnstraat naar de Enkweg 2c. De vier jaar oudere zus Peggy en Marc zijn in de Colijnstraat geboren. Aan de Enkweg wordt nog een broertje geboren, Rob. In het najaar van 1970 verhuisden ze naar de St. Hubertusstraat. Het huis aan de Enkweg huurden meneer en mevrouw Pluim van de heer Van Kampen.

De aanleiding van het gesprek was een berichtje van Marc op facebook pagina 'Je bent Velpenaar als ...'.
Marc vertelt (d.d. 6-8-2013) over zijn jeugdjaren aan de Enkweg alsof hij in een rijdende trein zit en alle beelden langs zag komen. Mijn vragen, die ik voorbereid had, heb ik nauwelijks nodig gehad.

Het huis aan de Enkweg
Marc: 'Hoewel we hier maar kort gewoond hebben, heb ik de jaren aan de Enkweg wel heel intensief beleefd.
Mijn vader had een administratieve taak bij de politie. De mensen moesten eens weten dat ik weleens bonnenboeken stempelde met een stempel van de gemeente. Ook ging ik soms mee met oom Gorsink als hij het verkeer op het Velperbroek circuit ging regelen. Ik moest dan wel in de auto blijven zitten. Moeder zorgde voor de kinderen en het huishouden. Ze hield elk jaar 'grote schoonmaak', dan werd het hele huis op zijn kop gezet en werd er gewit. Wij kinderen kregen dan nieuwe speelimpulsen omdat dan alles anders stond. Met de stoelen op een rij kon je fijn spelen. Buiten hadden we een kloppaal. Hier gingen kleden over heen, die dan met de mattenklopper stofvrij geslagen werden. Aan de kloppaal maakten we weleens kleden vast en dan hadden we een prachtige tent.
Het huis werd verwarmd met een kolenkachel. De kolen werden gehaald bij Labots. Daar waren we al klant toen we nog in de Colijnstraat woonden. De kolenkit heb ik nog altijd bewaard. Mijn moeder maakte ons goed duidelijk dat de kachel gevaarlijk was, vooral de damp was gevaarlijk. Ze maakte de kachelruitjes schoon met koude thee. In de tuin stond een kolenhok. Achter het kolenhok gingen we weleens fikkie stoken, met de deksel van een emmertje van de Remia fritessaus.'
Zus Peggy weet nog: 'Moeder maakte vaak huzarensalade van aardappelen, rundvlees, bietjes enz. Dit werd dan op een ovale boerenbondschaal glad gestreken en hier overheen kwam weer een laag mayonaise. Dit werd dan opgemaakt met eieren, in waaiertjes gesneden augurken en op het laatst sla. Met een tube Zaanse mayonaise werd nog wat gedecoreerd. Dus er waren regelmatig dekseltjes.' Marc neemt het weer over: 'Als je die deksels aanstak dan kwamen er druppeltjes en als die vielen maakten deze een plof geluid. Zo speelde ik bommenwerper.'
Marc: 'Op vlagdagen mocht ik de vlag ophangen. Dan moest ik op een trap staan, want de vlaggenhouder zat midden boven de erker van het huis. Voordat ik de vlag ophing stond ik er heerlijk mee te 'vaandelzwaaien'. Ik voelde me betrapt toen ik op een keer zo gezien werd.
Op een goed moment kocht mijn vader van het spaargeld een Dafje bij Van Straten in de Parkstraat. Hier moest je heel zuinig op zijn. Hij had een boom op de kop getikt en van over dwars gezaagde planken en een geraamte van ijzer bouwde hij een prachtige schuur met open slaande deuren. De planken liet hij vast bij Meijrink zagen. In de deuropening van de schuur kwam een schommel te hangen. In de schuur stond een werkbank, ook een geliefde plek om te spelen. Hier heb ik van vader geleerd, hoe je een kromme spijker weer recht kan maken.'

Marc Pluim met op de achtergrond een schuur van timmerbedrijf Meijrink  Peggy Pluim in de voortuin met op de achtergrond, links het huis van Gerritsen, rechts van kapper van Geldere.


Aan het einde van onze achtertuin stond een loods van autospuiterij Pas. Maar hiertussen vanaf 2a tot aan firma Meijrink liep een stuk 'niemandsland', voor ons een prachtige speelplek. De autolak zorgde soms voor een weeïge lucht.'
Elk weekend gingen we met het gezin naar Twente, eerst met de trein en later met het Dafje, op bezoek bij opa en oma. In de vakantie togen we met de Daf naar Ameland, een reis van een dag, dwars door alle dorpen en steden heen. De kist met spullen werd vooruit gestuurd. Voor onderweg namen vader en moeder broodjes, eieren (in een speciale plastic doos van Tupperware) en een thermosfles mee. We hadden dikke voorpret: 'Zou de mevrouw in Apeldoorn zich weer aan het aankleden zijn?' In Kampen aten we paling. De auto ging naar Ameland op een speciale autoboot en de mensen op een passagiersboot.
Dan vraagt Marc: 'Wist je dat je toen in de auto nog een dubbele bediening in de auto kon monteren? Zo kon moeder, zonder rijbewijs toch autorijden.'
Naast de familie Pluim, op 2b, woonden meneer en mevrouw Wien. Op het petroleumstel stond vaak wat te pruttelen. Ze dronken koffie met buisman. Moeder Pluim zei altijd: 'Als ze het nodig hadden gevonden, hadden ze het er wel in gedaan.' Marc: ' Om zo'n blikje heb ik wel wasknijpers geplakt, dan had je een mooi bekertje, zeker als je het ook nog lakte. Meneer Wien was een duivenmelker. Peggy hoort hem nog de duiven lokken: 'Kom maar, kom maar, kom maar.' Hij deed ook mee aan wedstrijden.

Over school
Marc: 'Ik zat nog net op Kleuterschool 'De Pinksterbloem' in Velp zuid toen we naar de Enkweg verhuisden. Na de grote vakantie ging ik naar de Prof. Casimirschool aan de Jan Luykenlaan. Op het schoolplein lag een groot rood tegelpad naar de ingang. De ruimte op het schoolplein aan de gymzaal kant was voor de klassen 1, 2 en 3 en in de ruimte aan de andere kant van het tegelpad speelden de klassen 4, 5 en 6. Tijdens het speelkwartier liepen de meester en juffrouw op het ruime schoolplein heen en weer en hielden een oogje in het zeil. Meester Vrieze zwaaide in die tijd de scepter, als hij op zijn fluitje blies en je wenkte om bij hem komen ..... Als je iets op je kerfstok had en de mazzel dat je nog net buiten het gezichtsveld was en je ook nog een kwartje in je broekzak had, stoof je over het muurtje naar bakker Meeuwissen om iets te kopen. Dat was spannend! Het plein was een prachtige speelplek. We gingen hinkelen, elastieken, tollen of knikkeren. Knikkeren mochten we ook in de boomspiegels van de bomen in de Jan Luykenlaan. Voetballen was ook toegestaan, weliswaar niet met een echte voetbal, maar met een bol van oude sokken. Bekend waren de rolschaatswedstrijden. Het was de tijd van Ard en Keesie. Na een afvalrace kregen enkele een vaantje en de allerbeste een medaille. Atje Keulen Deelstra kwam om deze uit te delen. Dat was wat! Soms deed je iets wat niet mocht en dan moest je op de gang staan. Als we erg ondeugend waren probeerden we om veters te laten branden. Er ontstond dan een enorme schroeilucht. Dit gebeurde meestal achter de muur bij het gymlokaal.
's Morgens dronken we melk in de klas. Bij de melkboer kon je een melkkaart kopen. Het waren van die piramide- vormige pakjes. Ik mocht ze weleens de klassen ronddelen, aftellen per klas en dan in grijze kratjes. Ze konden maar op één manier in de kratjes. Als de melk op was, kon je het pakje zo lekker laten knallen.'
Zus Peggy: 'Toen Marc op de basisschool zat ging ik al naar 'Het Rhedens' en dus heb ik de jaren aan de Enkweg heel anders beleefd. Ik moest naar de M.M.S. proefklas. Als je goed genoeg was mocht je door. Ik ben ook nog op zaterdagochtend naar school geweest.
Over de Casimir weet ik nog dat het verschil in niveau, vergeleken met de Prof. Van de Leeuwschool waar ik eerst op school ging, erg groot was. Bijvoorbeeld ontleden had ik nog nooit gehad.
Op de Prof. Van de Leeuwschool gaf juffrouw Rensenbrink les. Ik raakte in verwarring toen ik op de Casimir kwam en ook juffrouw Rensenbrink zag. Was ze meegegaan naar de Casimir? Wat later bleek dat ze een tweelingzus had, die als twee druppels water op haar leek.
Ik weet ook nog van de Casimir dat ik, toen Willem Alexander werd geboren, voor de hele school beschuiten met muisjes mocht smeren. Het waren roze muisjes, blauwe bestonden toen nog niet. Voordat alle vloeren weer aangeveegd waren .... . In mijn jaar was Vrieze echt hoofd.
O, ja, op een keer stak een klasgenoot zijn vinger op en vroeg of hij zijn zakdoek mocht gaan halen. De meester vroeg: 'Hoe heet dat doekje?' Leerling: 'Zaddoek'. 'Schrijf dat eens op het bord', beval de meester. Meester: Waar haal je die uit? Antwoord: 'Uit mijn zak'. Meester: 'Schrijf het dan nog eens op het bord, maar dan goed.' Ik ben het nooit vergeten.'
Marc: 'In de zesde klas kreeg ik de eer om samen met Martijn de Kempenaar te mogen klaaroveren bij de Rozendaalselaan. Je kreeg dan een 'pannekoek' mee om de auto's te laten stoppen en een fluit. En o, ja, van Vrieze kreeg ik eens een klap op mijn wang omdat ik samen met Arjen Peters boeren aan het laten was. Vader zei: 'Dan zul je het wel verdient hebben!' en verder werd er niet over gesproken.

Over de buurt, via de Bergweg naar de Koningstraat weer naar de Enkweg
Marc herinnert zich nog heel veel over de buurt: 'Op de punt van de Bergweg en de Enkweg stond het huis van tuinder Gerritsen. Wij noemden ze opa en oma Gerritsen. Ze waren al op leeftijd. Het waren aardige mensen. Als mijn vader of moeder een kerstboom bij hem kochten, kregen wij kinderen er een kleintje gratis bij.' Peggy vult aan: 'En in de zomer kon je er een bos dahlia's kopen voor een daalder, zo mooi!'
De begraafplaats lag tegenover Gerritsen aan de andere kant van de Bergweg. Peggy was verontwaardigd toen ze ontdekte dat de buurtkinderen er verstoppertje speelden. 'Voor hun was het heel gewoon, maar ik vond het schokkend', aldus Peggy.
Naast de begraafplaats bevond zich de bloemisterij van Siebelink. Hier gingen vader of moeder weleens violen kopen.
'Roeltje Schipper, de zoon van de slager uit de Koningstraat, was mijn vriendje', vertelt Marc. 'Met hem heb ik heel wat beleefd. We gingen weleens mee naar het slachthuis. Dat maakte indruk. Bij de slagerij stond een stinkende ton beenderen waar we weleens wat uithaalden. Ook maaien om te vissen'. Peggy: 'Ik weet nog dat die slager zulke lekkere nasi en bami maakte. Zo'n lekkere bami als van hem, heb ik nooit meer geproefd.' Marc met emotie: 'Op een keer, ik zal het nooit vergeten, waren we in de winter op het schuin lopende dakje van golfplaten sneeuwballen aan het gooien. De lol was om ze zo ver mogelijk te gooien, zodat ze er weer naar beneden kwamen glijden. Maar dat ging ook weleens mis en dan kwamen de ballen over de platen bij Venneman terecht. Op een gegeven moment was een medewerker daar het zo zat dat hij, helemaal door het lint, op ons af kwam stormen. Roel vluchtte de slagerij in en ik kwam op straat liggen. Hij schopte me bont en blauw. Gelukkig kwam de vader van Roel op het tumult af en kon ik naar huis. Later hoorde ik dat de sneeuwballen op de vrachtauto terecht kwamen, die hij juist aan het schoonmaken was. Mijn vader is er naar toegegaan. Hij had natuurlijk nooit zo mogen doordraaien. Het was voor mij een wijze les; dat wat je doet altijd gevolgen kan hebben voor anderen.
Tegenover de slager zat fietsenmaker Ben Beumer. Ik zie ik hem zo voor me met zijn blauw/grijze werkjas aan. Er stond een pomp voor het huis. Hij pompte benzine op uit een tank en liet deze dan met behulp van een kraantje in een blik (5 liter) vollopen.
Peggy: 'Mevrouw Bottema heeft ons bruidsboeket gemaakt toen we gingen trouwen. Een gedeelte van haar huis had ze ingericht als bloemenwinkel. Haar zoon was altijd vrijwilliger bij Kluiskamp.
Meneer Jacobs woonde ook in de Koningstraat. Hij was restauratieschilder. Hij kon marmer, hout en steen schilderen als de beste en deed mee aan wedstrijden. Marc: 'Hij heeft me ooit verteld dat hij na het schilderen zijn werk met rauwe boerenkarnemelk insmeerde om een mooi (diepte) effect te krijgen.'
'Kochten jullie het brood bij bakker Meeuwissen?' vraag ik. Nee, we gingen altijd naar Borggreve. Daar hadden onze ouders zo hun redenen voor' verklaart Marc. 'Ik weet wel dat Tarvo brood toen net nieuw was. Het was de tijd van King Korn.' ( Ik ga bij Japie eten)
Marc vertelt door: 'We haalden ondeugende streken uit. Ik weet nog dat ik, nota bene met de fiets van mijn zus, op de fiets klom er dan afsprong en de fiets tegen een muur liet knallen. We klommen ook wel op het dak van de gymzaal. Dat mocht natuurlijk niet, het was levensgevaarlijk. En in het fietsenhok bij de school werden, stiekem, de eerste sigaretjes gerookt.
Aan de Enkweg bevond zich kapper Van Geldere, Adriaan van Geldere, één van de twee broers, knipte behalve dames ook kinderen. Ik herinner me, een voor mij magisch ritueel wat ik pas later kon verklaren. Ik zie voor me hoe hij met een watje de kam schoonmaakte. Eén voor één ging hij met dat watje tussen de tanden van de kam. Ook kon je er je eigen meegebrachte flesje eau-de-cologne, bijvoorbeeld 4711, laten vullen. Tegen het einde van de behandeling spoot hij berkenwater op je haren. De zitting van de stoel kon dan worden omgedraaid voor de volgende klant.' Peggy vult aan: 'De kapper verdiende wat bij door het slachten van kippen, vooral de vrouw van de kapper regelde dit. Regelmatig werd ik gestuurd om daar kippenboutjes of een hele kip te kopen.'
Over timmerbedrijf Meijrink schreef Marc op facebook: 'Wij woonden een stukje naar beneden en ik kwam er vroeger vaak zaagsel halen. Opa Meijrink, die doodskisten maakte, keek me dan vreemd aan en mopperde dat ik geen zaagsel moest zeggen, maar houtkrullen. Boven de werkplaats was een zolder en daar werden de houtkrullen ingeblazen. Via een ladder en een luik kon je naar boven om een grote zak met krullen te vullen'.
In Marc zijn herinnering zat opa alleen maar doodskisten te maken, prachtige eiken houten doodskisten. Er reden vaak begrafenisauto's in de straat. Ze werden ook wel op een aanhanger vervoerd.
Naast Meijrink bevond zich de autorijschool van Prins. De familie verhuisde naar het noorden.
Onderaan de Bergweg zat groenteboer Riggeling. Hij ging met een wagen de klanten langs. Hij had een zoon Jan Willem en zijn zus heette Yvonne. Het was een dorpsboerderij, je kwam eerst op de deel. Hij verbouwde veel zelf.
Op de hoek van de Wilhelminastraat en de Rozendaalselaan zat kruidenier Meeuwissen. Het was de tijd van speldjes en sleutelhangers. Het toeval wil dat meneer en mevrouw Meeuwissen in de Hubertusstraat naast de familie Pluim kwam wonen. (augustus 2013)

 

 

Meijrink
De zaak van Meijrink is er niet meer, maar het reclamebord hangt nog aan de gevel (2015). Eric Oukes maakte de foto.

Bord Meijrink

 

O.B.S.  Daalhuizen

In de wijk neemt de Openbare Basisschool ‘Daalhuizen’ een bijzondere plek in. Veel mensen denken dat dit gebouw een gemeentelijk monument is, maar dat is niet het geval.

 

 

 

Bakkerij Meeuwissen

Aan de Enkweg op de hoek met de Koningstraat zit nog de winkel van bakkerij Meeuwissen. In 2005 vierde de bakkerij haar 105 jarig bestaan.

In één van de wekelijkse kranten van 2005 stond een artikel geschreven door Cristian Houkes:

 

Krantenartikel Meeuwissen

VELP – Bakkerij Meeuwissen bestaat 100 jaar. Wie de winkel aan de Enkweg 25 in Velp binnen gaat, ziet aan het interieur dat het geen hypermodern bedrijf is. De bakkerswinkel straalt de allure van de prenten van Anton Pieck uit, dat wordt ook benadrukt door verschillende schilderijen van de vermaarde tekenaar en bedenker van het Sprookjesbos in de Efteling, en dat is het authentieke waardoor bakkerij Meeuwissen nog steeds volop als bedrijf in beweging is.

Grootvader Meeuwissen begon in 1905 in Arnhem een bakkerij en in 1910 vestigde hij zich in Velp. Hij werd opgevolgd door zijn twee zonen. ( De vader en oom van de huidige bakker Meeuwissen). Vader Meeuwissen is maar liefst 57 jaar bakker geweest en verleent nog steeds hand- en spandiensten aan de bakkerij. Door de jaren heen heeft de bakkerij heel wat meegemaakt. In de Tweede Wereldoorlog werd het volledig gebombardeerd, alleen de oven met de schoorsteen stond er nog. Alle muren waren weggeslagen. Maar met 

beperkte middelen werd er ‘gewoon’ doorgewerkt en gebakken in de open lucht. De bakkerij wordt nu geleid door de vierde van de vijf zonen. Johan en zijn vrouw Jolanda. Bakkerij en winkel zijn aangepast aan de eisen van nu, waarbij echter de historische waarde behouden blijft. ‘Het is niet voor niets dat de zaak al meer dan 100 jaar bestaat!’, zegt bakker Johan enthousiast. Hij bakt ook regelmatig nieuwe soorten brood waar hij telkens weer zijn klanten mee weet te verrassen. Zo bakt hij regelmatig broden met een Mediterraans tintje. Vanaf augustus 2005 zet de bakkerij nog verschillende jubileumacties op en uiteraard worden de kinderen niet vergeten.

 

Vanaf 2009 zijn er bij de bakker ‘Daaltjes’ te koop. Deze lekkere wijkkoekjes zijn gemaakt naar een oud Hollands recept.
Helaas zijn de "Daaltjes" niet meer te koop. 

 

Pand Enkweg nummer 1/3
Dit pand met het prachtige torentje is als één huis gebouwd in 1896 door een oud burgemeester uit Goes, de heer Jean Philippe Wesselink. Deze kocht de grond van August Willem Krienen, bloemist. Op de oorspronkelijke bouwtekening staat aan de straatkant een prachtige serre getekend. In 1928 is het huis gesplitst. Er zijn verschillende aktes, bewijs van eigendom, bewaard gebleven:

Bewijs van eigendom voor den Heer J. P. Wesselink te Harlingen van een bouwterrein gelegen aan den Enkweg Te Velp groot 4 aren 35 centiaren d.d. 23 april 1896.

Eigendomsbewijs voor den Heer J. Ph. Wesselink te Velp van een perceel tuingrond gelegen aan den Enkweg te Velp Sectie D nommer 6397 groot 4 aren 28 centiaren Transport 1 mei 1903.

Bewijs van Eigendom voor den Heer J. P. Wesfelink te Velp van een strookje grond groot twee centiaren van het kadastrale perceel Velp Sectie D 6605 Acte van Ruiling 19 Februari 1904.

Eerste Grosfe der Acte van overdracht met voorbehoud van hypotheek ten behoeve van: den Heer G. Blok te Velp, gemeente Rheden hoofdsom ƒ3500.-; rentende 4 1/4 ℅ per jaar op 1 Januari en 1 December; dd. 2 Januari 1913.

De kippenschuurBewijs van eigendom voor den Heer M. Meeuwissen, meester bakker, wonende te Velp, gemeente Rheden van De Villa, genaamd “Rusthove’, met erf, schuur en tuin, staande en gelegen aan den Enkweg, nommer 1, te Velp, gemeld. D.d. 30 Juni/ 14 Juli 1925. (Kadastrale kaart van de Enkweg 6397 6398)

De familie Mars huurde het huis van 1935 tot en met 1953 van Meeuwissen. Rond 1953 koopt kapper Adrianus Van Geldere het huis, winkelhuis, schuur, erf en tuin. Ook koopt hij enkele stukjes grond van hovenier Gerritsen.

Momenteel woont de familie Oostendorp op nummer 3. De heer Oostendorp vertelde dat als hij gaat graven, er overal in zijn tuin kippenbotten tevoorschijn komen. Onder de keuken ontdekten zij een enorme waterput van wel 4 bij 6 meter. Deze was gemetseld en met roet aan de binnenkant behandeld om hem waterdicht te maken. In de keuken zat nog een aansluiting voor een waterpomp. De kippenschuur staat er nog, zie foto, het verhaal gaat dat de deuren uit de voormalige brandweergarage van Velp komen. Boven en onder voorzien van heel oud beslag. Dit stenen schuurtje heeft eerder ook dienst gedaan als schilderwerkplaats van A.F. Mars.

Pand hoek Enkweg 27 / Koningstraat 2

hoekhuis Enkweg/Koningstraat hoekhuis Enkweg/Koningstraat

Op de hoek van de Enkweg en de Koningstraat staat een huis uit 1909. Hierboven is de aanvraag van het pand afgebeeld. In deze aanvraag heet de Koningstraat nog Nieuwe Schuinsche Weg. Links de bijhorende tekening. De familie Schimmel heeft het laten bouwen. Opvallend is de rijk gedecoreerde daklijst. Boven in de nok van het huis is 1909 geschilderd, dit staat ook op de tekening.

Familie Kranenburg op nummer 31
Vanaf 1952 woonde aan de Enkweg de familie Kranenburg. Hiervoor woonde de familie in Velp-zuid in de toenmalige villa op de hoek van de Larensteinselaan en de Kerkallee.

Gerrit Kranenburg was getrouwd met Teuntjen Grada Wolven.
Gerrit Kranenburg verhuurde wasmachines en centrifuges, later verkocht hij ze ook. Deze kwamen noodgedwongen te staan in de serre van hun woning die eigenlijk niet optimaal geschikt was als winkel. Dit ging ook ten koste van de leefruimte van de familie. Het gezin Kranenburg kon met recht bestempeld worden als een 'groot' gezin. Ten tijden van hun verblijf aan de Enkweg bestond het gezin uit 13 personen: pa en ma Kranenburg, opa & oma Wolven, 6 kinderen en 3 inwonende pleegkinderen en de twee honden.

Ad Kranenburg vertelt (2017):
"Opa Jan Wolven was van beroep schoenmaker. Oma Gerritjen Wolven-Ter Beek was een krachtige vrouw en voor velen in Velp een markante verschijning. Ze had als kind geleden aan kinderverlamming en daardoor gedeeltelijk verlamd en aangewezen op een rolstoel en driewieler. Voor de kinderen was de driewieler, naast de bakfiets van pa, een gewild transportmiddel. Oma Wolven, heeft ondanks haar handicap, een groot deel van de opvoeding van alle kleinkinderen op zich genomen. In 1955 heeft de oudste zoon Gerrit zich op 16 jarige leeftijd aangemeld bij de Marine en is als eerste kind uitgevlogen.

Kinderen Kranenburg op Enkplein Kinderen Kranenburg op Enkplein

Wonen aan de Enkweg en aan het Enkplein in Velp-noord was voor ons kinderen een absoluut genoegen. Dat kwam o.a. door de ligging van de woning aan het grasveld, de bosrijke omgeving, de wijk met het indrukwekkende schoolgebouw en schoolplein, de Rozendaalselaan met de kleuterschool, het Rozendaalse bos, de klimboom en niet te vergeten het zwembad Beekhuizen.


Ook aan het huis met de lange gang, de serre, de voorkamer, die alleen voor bezoek en op zondag werd gebruikt, de eetkamer met grote tafel en tafelkleed waar het op zaterdagavond feestavond was met pel pinda's en limonade hebben we mooie herinneringen. De hal en trappenhuis met trap en trapleuning, die eigenlijk niet als glijbaan mocht worden gebruikt. De keuken met het mooie potkacheltje waarachter de hond Pollie een warme plek vond. En dan de bovenverdieping waar we als kinderen via de openslaande ramen van de achterslaapkamer, via het platte dak en het dakje van oma's driewieler stalling toch nog even konden ontsnappen aan het ouderlijk gezag als we weer eens voor straf naar bed waren gestuurd. De vreugde van ons als kinderen te wonen aan de Enkweg was relatief van korte duur, maar heeft een enorme indruk op ons achtergelaten.

De zaken met de wasmachinehandel gingen goed en het huis werd al snel te klein zeker ook omdat uitbreiden met een echte winkel onmogelijk was. De zaken liepen zo goed dat we in 1957 van woning ruilden met bakker, banketbakker Zinnemers in de Mauritsstraat. Dit pand had een winkel en woonhuis. De bakker stopte met de zaak en had er wel oren naar om naar de Enkweg te gaan. Wij verhuisden naar de Mauritsstraat 1 (hoek Graaf Ottostraat) en breidde daar de zaak in witgoed verder uit. Voor ons kinderen was dit niet echt een vooruitgang door het gemis van de prachtige woonomgeving, maar voor onze ouders was dit de kans om verder te kunnen bouwen aan de uitbreiding van hun bedrijf."   

Huisnummers 29 en 31
Enkweg 29 en 31Deze foto is beschikbaar gesteld door de heer en mevrouw Dominicus. De grootouders en ouders van Henk Dominicus hebben jarenlang aan het Enkplein nummer 4 gewoond. De foto is dan ook hiervandaan gemaakt. Het pand is gebouwd in 1910, waarschijnlijk is de foto in de dertiger jaren gemaakt.
Het rechter meisje met beer, is Tilly Jolink.
Beide huisnummers hebben een serre. De bouwstijl is te vergelijken met de huizen aan de Rozendaalselaan, maar dan minder groots.
Helemaal bovenop het huis zat een versiering, kantelen, die nu niet meer aanwezig is. Kantelen zijn opstaande delen van een getande bovenkant van oude muren. Volgens Harry Kranenburg heeft Co Jacobs het verwijderd, vermoedelijk omdat het rot (van hout?) was. Ook de twee stenen torentjes zijn verwijderd. Het luik is vervangen door een raam.
Het pand heeft verschillende bewoners gekend, op nummer 29: familie Pouwels, familie Smulders en mevrouw Palan-Kovacs. Op nummer 31: familie Kranenburg, familie Zinnemers, familie Lijkendijk en weer een familie Lijkendijk (zoon van).

 

Familie Kleinstarink
Begin jaren '30 kwamen Janna Kleinstrarink-Vos en Herman Kleinstarink samen met dochter Elske Wilhelmina Hendrika vanuit de Kerkallee aan de Enkweg op nummer 8 wonen. Elske, zij werd Miny genoemd, werd geboren op 18 maart 1924. Zij had nog 2 zusjes, een tweeling Hennie en Aya.

Enkweg 8 1935 Miny Kleinstarink

Schooljaren
De meisjes gingen naar School 1 aan de Vondellaan. Op de benedenverdieping bevond zich de lagere school. Miny kon goed leren. Ze was het lievelingetje van meester Hoitink. Na de lagere school ging zij naar de MULO-school en op haar 18e, in 1942 behaalde zij haar HBS-B diploma. Ze wilde graag dominee worden. Daarvoor moest zij dan wel nog Staatsexamen doen, waarvoor zijn in 1944 in Amersfoort zou slagen.

Geloof
Vanaf haar 12e jaar ging Miny op catechisatie bij dominee P.A. Stapert, een hervormd predikant uit 's Heerenberg, die voor de Protestantenbond in Velp catechisatie gaf. Later volgde ze catechese-lessen bij de vrijzinnige dominee J.W. Sepmeijer.
De ouders van Miny, Janna en Herman waren in de Hervormde Kerk getrouwd. Haar moeder was bij de Protestantenbond op catechisatie geweest, maar desalniettemin "aangenomen" bij de Hervormden. De vader van Janna Kleinstarink-Vos, Aart Vos, was namelijk in 1885 één van de oprichters van de Protestantenbond in Velp.

Periode 1940-1945
Miny was lid van de padvinderij. In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd een organisatie als de padvinderij al Miny Kleinstarink 1940meteen verboden door de bezetter. Kerkelijke verenigingen werden nog wel getolereerd. Zo werd een jongerenvereniging als de Vrijzinnige Christelijke Jeugdcentrale, (VCJV) het alternatief voor sociaal contact. Miny en haar zusters waren actief in deze organisatie. Veel van de jongeren die zij bij de VCJC ontmoetten, waren net als hun ouders, aanhangers van de Protestantenbond. Dat betekende in Velp in die tijd dat je wel afweek van het gebaande pad.
Bijna de hele groep die bij de VCJC aangesloten was deed belijdenis bij de vrijzinnige dominee J.W.C. Ort in Spankeren. Zo ook de toen 18-jarige Miny. Met paard en wagen trok men daarheen, want er reden geen treinen of bussen meer in die oorlogstijd. Als je aangenomen was betekende het dat je mocht deelnemen aan het Avondmaal. De toegang tot dit Avondmaal in de Hervormde kerk in Velp werd Miny echter ontzegd, omdat zij niet in de (behoudende) Hervormde Kerk belijdenis had gedaan. Miny Kleinstarink heeft diezelfde dag nog haar lidmaatschap van de Hervormde Kerk opgezegd. Dat was toen wel een drama in familiekring. Met haar vriendengroep is zijn toen naar de Remonstrantse Kerk in Arnhem gegaan, waar ze wѐl mocht aangaan aan het Avondmaal. De predikant Gerrit Jan Hoenderdaal ontving hen met open armen: "Of u lid ben van een kerk of niet, wij nodigen u in liefde uit ...."
Met de groep jongeren van de VCJC gingen de meisjes Kleinstarink tijdens de oorlog kamperen op de Burgershoeve in Spankeren of op het Veentje in Laag Soeren. Daar hield men dan een soort kerkdienst met of zonder predikant en werd er stevig gediscussieerd, maar ook plezier gemaakt. In de bezettingstijd zocht men in deze bijeenkomsten naar verdieping en iedereen was zeer betrokken. Men had daarbij een idealistische kampspreuk als credo: "Verbonden met allen die van goede wille zijn, gedragen door hogere kracht."
Arnhem was geëvacueerd en Velp lag in de winter van '44-45 in de frontlijn. In School 1 zaten Duitsers. Het woonhuis Enkweg 8, waar de familie woonde werd de plaatselijke telefooncentrale, omdat het één van de weinige huizen in Velp was die telefoon had. Dit vanwege het feit dat vader Herman Kleinstarink bij de PGEM (Provinciale Geldersche Elektriciteitsmaatschappij) werkte.
De familie maakte in de periode van 11 tot 16 april 1945 de beschietingen en de V1 aanvallen mee.

Predikant
Enkweg 8Na de oorlog is Miny daadwerkelijk theologie gaan studeren aan het Remonstrants Seminarium in Leiden, waar al vanaf 1915 vrouwen werden toegelaten tot de opleiding Remonstrants predikant. Tijdens het huwelijk van haar zusters ontmoette zij Jhr. Joan Philip Laman Trip met wie zij in 1950 trouwde. Miny studeerde verder en werd kandidaat. Zij ging een glansrijke carrière als predikant tegemoet. Ze is in 2015 gestorven.

 

Deze informatie is een onderdeel van een artikel uit Ambt & Heerlijkheid nr. 198 maart 2018 van de Oudheidkundige Kring Rheden Rozendaal. Met dank aan Fineke Burgers.

 

Berend Boudewijn

Op de hoek van de Enkweg en de Da Costalaan woonde vroeger Berend Boudewijn van der Woude. (geboren 23 juni 1936), beter bekend als Berend Boudewijn. Hij en zijn broer Johan hockeden vaak op het Enkplein. Berend Boudewijn was een bekend acteur, televisiepresentator, theaterdirecteur en televisieregisseur. Hij verwierf in 1971 vooral bekendheid met de Berend Boudewijn kwis, waarbij je een kleurentelevisie kon winnen.

 

 

 

Copyright © 2012 Historievandaalhuizen.nl. Admin